De oudste windmolens in Europa zijn bekend uit het noordwesten van Frankrijk en stammen uit de periode 1050-1150. In Nederland komen pas 100 jaar later de eerste gegevens over een windmolen voor. Daarna is het aantal windmolens steeds groter geworden.
Zo waren er begin 1800 maar liefst meer dan 2600 (!) windmolens alleen al in Friesland. In 1980 waren daar, volgens het Fries molenboek, nog zo?n 130 van over. Daarbij moet worden opgemerkt, dat ook alle molenwrakken en restanten werden meegeteld.
Toen de windmolen nog algemeen als werktuig werd gebruikt diende het merendeel daarvan in Friesland voor bemaling van landerijen - de poldermolens.
Maar er waren ook in onze provincie een groot aantal industriemolens. Zo werd windkracht gebruikt voor het zagen van hout, het malen van graan en eikenschors, het pellen van gerst of rijst, het slaan van olie, e.d. Van de industriemolens is "de Hoop" de enige die binnen onze gemeente is overgebleven. Maar ook het aantal poldermolens binnen Tietjerksteradiel is sterk afgenomen.
Laten we de verschillende typen windmolens eens wat nader bekijken aan de hand van de De moderne windturbines voor elektriciteitsvoorziening blijven buiten beschouwing.
Links boven zien we dan de standerdmolen, of standerdkast. Het is een van de oudste types in Nederland. Geheel van hout gemaakt en uitsluitend in gebruik als industriemolen.Alle werktuigen bevinden zich in het bovenste gedeelte van de molen, de kast. Deze kast draait in zijn geheel mee, als de wieken op de wind worden gezet (gekruid). De standerdmolen is om die reden niet geschikt om landerijen te bemalen.
Omstreeks 1750 heeft er in de buurt van de Iikmounewei nog een standerdmolen gestaan. Veel standerdmolens zijn er niet meer in Nederland. De laatste standerdmolen in Friesland stond in Rottevalle en is omstreeks 1920 door een storm onherstelbaar vernield en niet meer herbouwd.
Inmiddels waren de zgn. achtkanten in gebruik gekomen, die veel praktischer in gebruik waren.
Verschillende typen windmolens
Het model van de standerdmolen veranderde in de loop der jaren in dat van de wipmolen (midden boven). De kap werd kleiner en de werktuigen werden verplaatst naar het onderste stuk van de molen, op de begane grond. Nu werd het ook mogelijk om de molens te gebruiken voor bemaling.
In het begin werd voor die bemaling gebruik gemaakt van een groot scheprad met een beperkte opvoerhoogte. Later kwam hiervoor de vijzel in de plaats, waarmee de opvoerhoogte sterk werd vergroot. De zogenaamde spinnekop (rechtsboven) is een verkleinde uitvoering van de wipmolen en is uitsluitend bedoeld als werktuig voor bemaling van landerijen.
Midden links is de zgn. torenmolen. Het molenlichaam is opgemetseld van steen en voorzien van een draaibare met hout of riet gedekte kap. Er zijn er nooit erg veel geweest in Nederland en dan nog voornamelijk in het oosten en zuiden van ons land. Rechts naast de torenmolen staat de gemetselde buitenkruier. Het verschil met de torenmolen is de vorm. De torenmolen is cylindrisch en de gemetselde buitenkruier is conisch van vorm.
Vooral binnen de steden kwamen er door de toenemende bebouwing steeds meer problemen met de windvang. De molens werden hoger gemaakt door ze op de stadswallen te bouwen of er een stenen onderbouw onder te maken. De molens met een stenen onderbouw moesten nu ook worden voorzien van een stelling, om ze te kunnen bedienen (midden rechts).
Het gevolg van deze grotere molens was niet alleen, dat ze veel duurder werden, maar ook werd het nodig een zwaardere fundering aan te brengen. Vooral dat laatste gaf in de laagliggende delen van Nederland nogal wat problemen.
Men ging er toe over de molens met riet te dekken, waarmee beide problemen werden ondervangen, riet was goedkoper dan steen en door het rietdek werden de molens minder zwaar. De molens werden nu niet meer rond, maar kregen een achtkantig (soms een zeskantig) model.
Op de onderste rij zien we van links naar rechts een binnenkruier een boven/buitenkruier en een stellingmolen van dit achtkantige type.
Verder kennen we nog een tweetal "buitenbeentjes", de tjasker en de paltrok.
De tjasker is niet meer dan een schuin opgestelde as. Aan het ene einde bevindt zich een klein eenvoudig wiekenkruis. Aan het andere eind zit een vijzel, die omkleed is met een houten cilinder. Dit uiteinde bevindt zich onder water. De tjasker (of het nu een paaltjasker, of een boktjasker is) is een klein molentje, dat de waterstand in een polder kan regelen.
Er is nog maar een klein aantal tjaskers in Nederland. In het natuurreservaat De Houtwiel bij Veenwouden staat nog een heel gaaf exemplaar. De paltrok is een ander type, waarvan er nog maar een enkele in ons land voorkomt. Dit molentype dient uitsluitend voor het zagen van hout.
Bij een molen als "de Hoop" wordt alleen de kap (dus het bovenste stuk van de molen) naar de wind gedraaid. j een paltrok wordt het hele molenlichaam, met de daaraan vastzittende schuren en zaagvloeren, naar de wind gekruid.
Er zijn kaarten bekend, waarop in Bergum een paltrok staat aangegeven. Deze molen moet hebben gestaan aan de oostzijde van de Dam ongeveer ter hoogte van de plaats, waar vroeger "de Drie Gekroonde Baarzen" stond, dus ten noordoosten van de huidige zuivelfabriek.
Het hout voor de paltrok lag eerst een tijd in het water en zoals alle paltrokken stond ook de Bergumer paltrok aan het water.
MOLENTAAL EN MOLENTRADITIE
De molen nam een centrale plaats in in de gemeenschap. In de eerste plaats was het een zeer markant bouwwerk, dat - om voldoende wind te kunnen vangen - boven de gewone bebouwing uitstak.
In de tweede plaats werden er - als het om een korenmolen ging - veel nieuwtjes uitgewisseld. Immers ieder had broodnodig brood nodig. De bakker was daarvoor de centrale figuur, maar nog belangrijker was de molenaar. Hij vormde de schakel tussen de boeren, die het graan kwamen leveren en de bakker, die het meel kwam halen.
In de loop der jaren ontstond er een "molentaal". De molenaar kon met behulp van de stand van de wieken aan de wijde omgeving laten zien, wat er te melden was.
Als de bovenste wiek nog net op het hoogste punt staat, staat de molen "in de vreugd". Er is iets vrolijks te melden, bv. bij geboorte of huwelijk. De wipmolen en de spinnekop van de afbeelding met molentypen staan in de vreugd.
Staat de bovenste wiek echter net even voorbij het hoogste punt, dan staat de molen in de rouw. Op de eerder genoemde afbeelding staan de standerdmolen en de ronde stenen stelling-bovenkruier in de rouw.
Vroeger werd, bij een begrafenis, met de richting van het wiekenkruis de stoet gevolgd tot aan het kerkhof. Dit noemde men het nakruien.
Ook was het voor de molenaar mogelijk, door de stand van de wieken aan te geven, of bv. de timmerman moest komen, of dat er niet kon worden gemalen, omdat de stenen moesten worden gebild (gescherpt).
Staat de ene roede verticaal en de andere horizontaal, dan staat de molen in de rechtstand en is de molen in een ruststand voor korte duur.
Staan de roeden echter overkruis (onder een hoek van 45 graden met de horizon) dan is er sprake van rust voor langere duur.
Bij poldermolens werden seinen doorgegeven over de stand van het water, de vervuiling van het water (ja, ook toen al!), het aanvangen van de bemaling, of juist het stoppen. Hiervoor werden bepaalde molens, de zgn. seinmolens, aangewezen. Kortom er werden veel mededelingen door de molens doorgegeven.
Bij zeer bijzondere gelegenheden werden de wieken versierd. Soms werden de uiteinden van de wieken door versiering met elkaar verbonden.
Er zijn ook een groot aantal uitdrukkingen en spreekwoorden in het Nederlands gekomen, die uit de molenwereld stammen. De uitdrukking "iemand zit in de nesten", is daar een voorbeeld van.
Als een molen wat langer heeft stilgestaan, zijn er "deuken" ontstaan in de gedeelten van de kap, die over elkaar moeten glijden, als de molen op de wind moet worden gekruid. Als de kap dan moet worden gedraaid, gaat dat in het begin vrij zwaar. De molen zit "in de nesten".
Soms draaiden de molens zonder werk te verrichten. In de 80-jarige oorlog werd op die manier de Spaanse belegeraars van Leiden wijs gemaakt, dat er nog voldoende meel in de stad was en dat de stad zich nog lang niet zou overgeven.
Vandaag de dag nog zegt een molenaar, als de molen draait zonder werk te verrichten:" De molen draait voor de prins" (van Oranje).
Bent u bekend met de volgende uitspraken?