Geschiedenis

DE MOLEN VAN SUAMEER TOT 1867

Wanneer de eerste molen in Suameer is gebouwd is lastig vast te stellen. Boven de toegangsdeur aan de zuidkant is een steen gemetseld, met het jaartal 1867, maar reeds lang daarvoor in 1653 (dus in de tijd van Tromp, de Ruyter en Johan de Witt!) wordt er melding gemaakt van een "Rosmolen" in Suameer. Een rosmolen is een molen, die wordt aangedreven door een paard.

In het proclamatieboek van Opsterland staat de volgende akte van koop/verkoop:

den 30e Martij Ao 1653 aengegeven Melle Folkerts cum uxore b.b.c. op sekere Wintmolen, met uijsinge, schuijre, ende alle ?t gene daerinne om ende aen eert spijcker en nagelvast is ende daer toebehoort, met alle ?t molen ende back gereedschap, van koevoet, billen, ketel, kabels, touuen, backtroogh ende tafel ende voorts alle ?t gereedschap ues tot die molen ende ?t backhuijs behoort, niets exempt alles staende ende gelegen tot Wredorp voors. op W: Sijbe Goijtiens Erffgens sate, hebben: de Molenplaets ende tuijninge, Alle Goijtiens ten Oosten, Alle Tijssen ten Westen ende de meergemelte Sijbe Goijtiens Erffgen. ten suijden ende noorden ten naesten gelandet besuaert met vrij malen van meergenoemde Sijbe Goijtiens Erffgen. Sate, sondermeer in Wandelcoop becomen van Dirck Jans cum uxore aen sekere huijs Schuijre ende plaetse met de Rosmolen ende sijn gereedschappen gelegen tot Suameer, ende daer te boven voor additie toe te geven 395 golt glds volgens wandelbrieven daeraff sijnde,

?T Laeste gebot den 5e Maij
Ao 1653



kopie uit het proclamatieboek van Opsterland

Uit het bovenstaande kan worden opgemaakt, dat er vrij zeker een windmolen met een daaraan verbonden bakkerij, in de buurt van Beetsterzwaag heeft gestaan, die is geruild tegen een rosmolen in Suameer, met bijbetaling van 395 goudguldens.

Niet iedereen was het kennelijk met deze handel eens, getuige de toevoeging onder deze acte, die luidde:
D? Wedue en Erffgen van W: de Secretaris Sako Teijens protesteren dat haer d?vercopinge sal sijn ontschadelijck belangende ?t gene haer volgens reversael vande vercopers is competerende waer voor haer d? geproclameerde molen spetialijck staet gehipoteceert.

Een ander document in hetzelfde handschrift luidt:

den 7e Maij Ao 1653 aengegeven Folkert Dircx en Trijntie Melles echteluijden b.b.c. op sekere Wintmolen met de huijsinge schuijre samt molen ende huijsplaetse daeraenbehoren, ende voorts met allent gene daerin om ende aen eert, spijcker, bandt ende nagelvast is ende daertoebehoort, als koevoet, billen, cabels, touuen, backtroogh ende tafel, mitsgaders andere toebehoorten, alles steande ende gelegen opt oosteijnde vande gebuiert Beetsterswage, op de Sate ende Landen den Wedue ende erfgen. van w: de Secrit Teijens toebehorende, besuaert met het vrij malen tot behoeff van gemelte Secrit Teijens Sate, gecoft van Rintse Wijgers cum uxore voor d?soma van 1278 golde glds ende een halve gouden ducaton tot geschenck, volgens coopbrieff daeraff sijnde.

?T Laeste Gebot den 9e Junij 1653

Misschien werd door deze tweede akte het protest bij de eerste akte weerlegd.

In 1653 heeft er vrij zeker een rosmolen gestaan op het stuk grond, waar nu "de Hoop" staat.

1664
Er bestaat een kaart van gedateerd 1664 van Schotanus van de Grietenye Tzietzerckstera-deel, waarop geen molen staat aangegeven in Suameer, maar wel een aan de noordzijde van het water, bij de Dam.
Het is mogelijk, dat er toen in het geheel geen molen in Suameer was, maar het is ook niet uitgesloten, dat de rosmolen niet is aangegeven, omdat een rosmolen geen erg opvallend gebouw is.

1694
Op een kaart van B.Schotanus à Sterringa van Tjetjerkstera-deel (Tjietjerksteradeel) zou er in 1694 in Su-meer (let op de spelling!) een windmolen hebben gestaan op de plaats, waar nu de Hoop staat.
Het is lang niet uitgesloten, dat de rosmolen, die er oorspronkelijk stond, is vervangen door een windmolen. Over het algemeen was een windmolen goedkoper in gebruik.De wind was gratis en paarden moesten worden gevoerd. Bovendien waren paarden een kostbaar bezit, omdat ze op het boerenbedrijf vrijwel onmisbaar waren.

1718-1749
Uit tellingen is gebleken, dat er in die periode één of meer molens hebben gestaan in Suameer, maar het is niet duidelijk, of "de Hoop" daar één van was.
Van na 1700 zijn er gegevens over belastingen over het stuk grond, waar de molen nu staat. Het is niet duidelijk, maar wel onwaarschijnlijk, dat daar toen een molen heeft gestaan. Er wordt melding gemaakt van gebruikers van een stuk bouwland, zonder dat er sprake is van een molen. Het land zelf wordt echter wel zo nu en dan beschreven als Grootmolenland en steeds geregistreerd onder nummer 17.
Behalve, dat het land werd geregistreerd met een nummer, werd er ook steeds aangegeven, wie de eigenaren waren van de aangrenzende stukken land. Aan de zuidzijde werd het groot Molenland steeds begrensd door de weg.



kaart van Schotanus uit 1694

Een lijst met eigenaren, gebruikers en aangrenzenden (telkens over een periode van ongeveer 10 jaar) volgt hier, voorzover e.e.a. was te achterhalen:

1700
Eigenaar Dr(? waarschijnlijk is dhr.bedoeld) Beukens, gebruiker Wijger Jansz. Ten oosten Giolt Jolles, ten westen de eigenaar.

1718
Eigenaar De Heere advocaat Beukens, gebruiker Sioerd Jochems.

1728
Eigenaar is nog steeds "De here Beukens", nu is de gebruiker ene Halber Rienks. Ten oosten Hedman Enkes, ten westen nog steeds de eigenaar. Ten noorden de erven Jouke Sijsses.

1738
In de eigendomsrechten is nog geen verandering, als eigenaar Dr.(dhr.?) Beukens, gebruiker een zekere Tjerk. Ten oosten Jelle Sijes, ten westen de eigenaar. Ten noorden "apothequer" Bienema.

1748
Eigenaresse is geworden Juffr.E.Beukens, gebruiker Sijmen Gosjes. Kennelijk is dhr.Beukens overleden en heeft de(een) dochter het Grootmolenland geërfd. Het eigendom van de aanliggende landerijen is onveranderd.Ten oosten Jelle Sijes, ten westen de eigenaresse. Ten noorden "apothequer" Bienema.

1758
Juffr. Beukens heeft haar eigendommen overgedaan, maar voor het overige is er geen verandering. Eigenaar is nu A.Brannius, de gebruiker nog steeds Sijmen Gosjes. Ten oosten Jelle Sijes, ten westen de eigenaar. Ten noorden apothequer Bienema.

1768
Eigenaar A.Brannius, gebruiker Ynse Fokus. Ten oosten Jelle Sijes, ten westen de eigenaar. Ten noorden "apothequer" Bienema.

1778
Eigenaar A.Brannius, gebruiker Ynse Fokus. Ten oosten Bintje Jelkes, ten westen de eigenaar. Ten noorden wed.Bienema.

1788
Er is niets veranderd, behalve dat ten noorden nu Epke Bienema wordt genoemd. Maar misschien is dat dezelfde als de eerder genoemde wed. Bienema.

1798
Eigenaar P.Brannius, gebruiker Sijtse Diemers. Ten oosten en ten noorden Albert Jelmers en ten westen de eigenaar.

1808
In dat jaar is Albert J. de Boer eigenaar en gebruiker van "...een akker groot 2 pond, het molenland genaamd...". De nieuwe eigenaar was al eigenaar van de grond ten oosten en ten noorden. Hij heeft kennelijk zowel de bewuste akker als het er ten westen van gelegen stuk overgenomen van de vorige eigenaar.De weg blijft de zuidelijke begrenzing.

1828
Jelmer A. de Boer is nu eigenaar en gebruiker van een akker groot drie en zeventig roeden (2 pond) het molenland, met de eigenaar ten noorden, oosten en westen. Ten zuiden de weg. Vrij zeker is Albert J. de Boer inmiddels overleden en heeft de zoon Jelmer A. de Boer het land geërfd.

1838
Niets veranderd aan de situatie zoals die in 1828 was.

1847
Op de historische atlas van W.Eekhoff(1849-1859) staat op de kaart van Tietjerksteradeel van 1847 op deze plaats geen molen getekend. Aangezien er sinds 1700 nooit meer over een molen is geschreven, kunnen we aannemen, dat die er ook niet gestaan heeft.

1850
Jelmer Alberts de Boer is nu eigenaar en Albert Jelmers de Boer de gebruiker van twee bunders twintig roeden bouwland "opt" molenland. De ondertussen ouder geworden Jelmer Alberts, blijft de eigenaar, maar laat zijn zoon Albert Jelmers de grond gebruiken. De eigenaar is in dat jaar overleden, want nu is Albert Jelmers de Boer zowel eigenaar als gebruiker van twee bunders twintig roeden bouwland "op ’t molenland" geworden.

1862
Albert Jelmers de Boer is in 1862 overleden, want er is namelijk op 29 juli 1862 een akte van boedeldeling ingeschreven.

Deze akte vermeldt, dat notaris Walle Tromp in Bergum op 15 mei 1862 deze akte heeft opgemaakt.
Volgens deze akte krijgt Grietje Alberts de Boer ". Een perceel weidland, uitmakende de westkant van het zoogenaamd groot Molenland onder Suameer, ter grootte van nagenoeg een bunder twee en zestig roede, zoodanig reeds door een haag, welke voor massale rekening moet worden onderhouden van den oostkant afgescheiden, bekend ten kadaster in de gemeente Oostermeer Sectie E, onder nummer 22, in het geheel voor de grootte van twee bunder een en negentig roede, bezwaard met voetpad, ganghout en waterlossing als van ouds en met reed en leiding van vee langs den oostkant van de ten noorden gelegen landen naar en van den straatweg, zullende dit perceel afzonderlijk belastigen met acht stuivers en tien penningen floreen op nummer 12 en met een reaal floreen op nummer 17.
De waarde werd geschat op fl. 1792,-

Nummer 29 heet in deze akte het klein Molenland

Verder krijgt de minderjarige Antje Alberts de Boer "...Een perceel weidland, uitmakende de oostkant van het zoogenaamd groot molenland onder Suameer,..." dus aan de andere kant van de haag.

Voorts is er nog sprake van een stuk bouwland Jelte Molenland genaamd sectie E nummer 458 en belast onder nummer 9 te Suameer. Dit stuk wordt verkregen door Foekje Alberts de Boer.

Er is dus wel steeds sprake van een Molenland, maar nog niet (of niet meer?) van een molen.

DE MOLEN VAN SUAMEER VAN 1867 TOT EN MET 1963

We zullen ons verder bepalen tot Grietje Alberts de Boer, in 1867 de eigenaresse van het stuk land waarop nu de molen staat.
Tot 1867 is het niet duidelijk, wanneer er wel een molen heeft gestaan en wat voor molen dat dan geweest is. Vanaf 1867 wordt de situatie heel wat duidelijker.

Op 30 januari 1867 verkoopt Grietje Alberts de Boer, die samen met haar man Jouke Petrus Bosma vijf jaar eerder het stuk had geërfd, een deel ervan aan Geert Harmens de Jong, landbouwer onder Hardegarijp.

De grootte van het verkochte stuk is ongeveer 74 roede. Dit was dus een deel van het groot Molenland. De prijs bedroeg fl. 1100,-. In de akte is in het geheel geen sprake van enige bebouwing. Deze Geert Harmens de Jong zal de huidige molen hebben laten bouwen.

De ingemetselde steen boven de zuidelijke ingangsdeur met het jaartal 1867 maakt deze veronderstelling nog waarschijnlijker.



Het jaartal 1874 in de gietijzeren bovenas duidt er op, dat er later (misschien na de brand van 1882) een andere as in de molen is geplaatst.

Volgens overlevering zou de molen oorspronkelijk in Kootstertille hebben gestaan en vandaar zijn overgeplaatst naar Suameer. Geert Harmens de Jong blijft een jaar of zeven eigenaar.

1874
Op 21 februari 1874 werd in de herberg van Postma te Veenwouden door Geert Harmens de Jong, "rogmolenaar" wonende te Suameer verkocht aan Feike Kraaienga en zijn vrouw Trijntje Franzens van der Veen te Zwaagwesteinde:
"...Eene huizinge met korenmolen,schuurtje,erf,tuin en boomgaard.
Koopprijs f.8000,-, waarvan f.2000,- direct en de rest met een rente van 5% per jaar.
De akte werd na voorlezing behalve door de notaris ook ondertekend door de getuigen Rinse Willems van der Mark (winkelier te Rinsumageest) en Sipke Dirks de Rood (veldwachter te Akkerwoude).
Een uitzondering bij de ondertekening werd gemaakt voor Trijntje Franzens van de Veen:"...die mede na voorlezing verklaarde haren naam niet te kunnen schrijven of tekenen, als zulks nimmer geleerd hebbende..."

Genoemde Feike Kraaienga is niet lang eigenaar geweest, want twee jaar na de aankoop, is hij weer bij de notaris.

1876
Op 4 november 1876 verkoopt hij de molen aan Jouke Hedzers Looyenga zonder beroep en wonende te Garijp.
De akte vermeldt: "... Eene huizinge met Korenmolen, schuurtje erf en bouwgrond (is de genoemde boomgaard uit een vorige akte verkeerd overgenomen ,in de oude handgeschreven aktes lijkt het woord bouwgrond veel op het woord boomgaard), staande en gelegen onder Suameer aan den Straatweg..." Koopsom fl. 9000,-, waarvan een bedrag van fl. 3000,- per 12 mei en de rest tegen 5%, ook pas m.i.v. 12 mei. Aanvaarding per 12 mei van het volgende jaar. Maar de verzekering is direct voor de koper.

1882
Dit werd een slecht jaar voor de molen. In het begin van dat jaar is de molen afgebrand en Jouke Looyenga wilde o.a. de restanten van de molen verkopen.

In een advertentie in de Bergumer Courant van 4 maart 1882 staat dan ook het volgende:
HUIS EN MOLENSTEED
De Notaris SICKLER te Bergum zal op Donderdagen 9 en 23 Maart 1882, telkens ’s nam. 6 uur, in de herberg bij de Wed.Atsma, provisioneel en finaal verkoopen:
Eene flinke WOONHUIZINGE met SCHUUR waarin Stalling voor 4 Koeien en 5 Paarden, STOOKHUT, Erf, Tuin, Tuin- en Bouwgrond, alsmede de nog staande MUREN van den onlangs afgebranden Korenmolen, zeer gunstig gelegen aan de Straatweg onder Suameer, kad. sectie E. nos.666,Huis,Schuur en erf, 665, Korenmolen, en 664, Bouwland samen groot 66 A. 5 C. Eigen aan Jouke H. Lojenga en te aanvaarden dadelijk en op 12 Mei a.s.

Volgens een advertentie op 18 maart was er een bedrag geboden van fl. 2210,-. Bij de finale verkoop werd Jacob Jans Formsma, "...koornmolenaar wonende te Suameer..." de nieuwe eigenaar voor een bedrag van fl. 2250,-. In de koopakte wordt nu weer een boomgaard beschreven.

Genoemde Jacob Jans Formsma heeft de molen weer laten herbouwen en er vrij zeker zo’n 20 jaar zijn molenaarsbedrijf in uitgeoefend. Hij heeft er ook een "petroleummotor" in laten aanbrengen, zodat hij niet uitsluitend van de wind afhankelijk zou zijn.

1902
In de Bergumer Courant van 5 april 1902 verschijnt een uittreksel van "...eene nieuwe verordening van politie op de openbare orde, rust veiligheid, zindelijkheid en zedelijkheid..."
Hierin werd bepaald, dat het verboden was om "...molens te bouwen binnen den afstand van 75 Meter van straten en wegen..."
Andere - voor onze tijd merkwaardige - regelingen waren o.a. "... het is verboden:te deurtjeschellen, glijdbanen te maken op de openbare straten, in het openbaar eene de eerbaarheid kwetsende houding aan te nemen..."
Maar ook moesten "...Berijders van Rijwielen..." bij het tegenkomen van "...al of niet ingespannen paarden op daartoe kenbaar gemaakt verlangen van de bestuurders of geleiders onmiddellijk afstijgen en hunne Rijwielen onbereden voorbij voeren..."

Inmiddels is de eigenaar Jacob Jans Formsma overleden en wordt op 25 november 1902 door zijn weduwe Tjitske Eldering "...molenaarsche wonende te Suameer..." de molen verkocht aan Sipke Rienks Kuipers, molenaar wonende te Ureterp. In de koopakte wordt ondermeer melding gemaakt van "...een huis en erf met korenmolen en land cum annexis met daarbij behoorende ongemerkte slijpsteen, nieuwe vang, takels, gemerkte zakken, zeilen en sleden..." De koopprijs werd bepaald op fl. 7750,-
Bij de voorwaarden in de koopakte staat o.a., dat "de verkoopersche het recht heeft de voorkamer met haar gezin te bewonen tot de twaalfde Mei, zonder enige vergoeding daarvoor te betalen".
Uit overlevering kan worden gemeld, dat in 1902 de molen werd "bezocht" door een bolbliksem. De bliksem kwam de molen in via een openstaande stellingdeur en zou de molen weer hebben verlaten door de muur aan de tegenovergestelde zijde, zonder brand te hebben veroorzaakt.



Het molenaarsgezin in 1918.
V.l.n.r.: Sipke Kuipers, Rienk Kuipers, Hiltje, Klaas en Anna Kuipers-Glastra.Deze foto is, volgens het stempel op de achterkant, gemaakt door J.Franke, fotograaf, Bergumerdam in de nazomer van 1918 en door de kleinzoon van Sipke welwillend ter beschikking gesteld.

1919
Sipke Kuipers heeft de molen zo’n 17 jaar in bezit gehad, voor hij weer verkocht werd, samen met een viertal woningen en een paar percelen grond.

In de Bergumer Courant van 18 october 1919 staat de volgende advertentie:
VERKOOP
HUIZINGE MET GROND C.A.
KORENMOLEN C.A.
PETROLEUMMOTOR C.A.
te SUAMEER

Op donderdag 23 October 1919, nam. 2 uur, zal in de herberg van Venema te Suameer finaal worden verkocht:
Voor den heer Sipke Kuipers aldaar:

1. Zeer soliede steenen Windkorenmolen, 21.10 M vlucht, ingericht met Petroleummotor, benevens omgelegen grond, groot ongeveer 9 are. Geboden f 3189, beneden afbraakprijs.
2. Hechte, nette en ruime dubbele Behuizinge, met schuur en omgelegen grond.Grootte ongeveer 21 Are. Geboden    f 5295, geringe som.
3. Stuk grond, meest greide. Grootte ongeveer 36 3/4 Are. Geboden f 1176. Deze 3 percelen in complex groot 65.70 Are.
4. 16 à 17 P.K. Tanges Petroleummotor met graanmaalderij, compleet. Geboden de geringe som van f 1150.
5. Huis, waarin 2 woningen, met erven, 2.80 Are. Geboden f 1700.
6. Stukje Bouwgrond, 5.90 Are. Geboden f 329. Perceelen 5 en 6 ten Westen tegen de perceelen vermeld.

N.B. Dit molenaarsbedrijf te Suameer wordt gebaat door de onmiddellijke nabijheid van het Tramstation Suameer en het Grootscheepsvaarwater te Bergumerdam.

Kortom de molen staat weer te koop en waarschijnlijk wegens schulden. Uiteindelijk wordt de koper van de molen Anne Terpstra, koopman te Gorredijk voor een bedrag van fl. 3489,- en hij koopt tevens de petroleummotor voor   fl. 1200,- plus 2% strijkgeld, voor de strijkgeldschrijver.
Op 23 october 1919 vindt de verkoop plaats. Sipke Rienks Kuipers is zo’n 17 jaar molenaar geweest, maar Anne Terpstra was duidelijk niet van plan om molenaar te worden. Hij is waarschijnlijk als strijkgeldschrijver aan de molen "blijven hangen", want drie maanden later staat de molen weer te koop.

1920
In de Bergumer Courant van 23 januari 1920 vinden we de volgende advertentie, waarin de naam Anne Terpstra niet meer voorkomt:

Ondergetekende bericht hiermede dat hij zich te Suameer als molenaar heeft gevestigd en beveelt zich beleefd aan bij Landbouwers, Veehouders en Bakkers voor het malen hunner granen, koeken enz. en tevens voor levering van FOURAGE.
M.ZWART, (v.h. Kuipers), Molenaar, Suameer.
Zwart voelt zich dus duidelijk de opvolger van Kuipers en niet van Terpstra, van wie hij de molen kocht.

Op dezelfde pagina van de Bergumer Courant vinden we advertenties, waar o.a. J.R.Douma is voorzien van "eene dienstbode" en P.Kramer in Hardegarijp blijkt voorzien te zijn van "eene boeremeid".
Anne Terpstra heeft, zoals hierboven vermeld, de molen niet lang in zijn bezit gehad, want al op 24 januari 1920, wordt de molen al weer vekocht. De molen met machinegebouw gaat over in handen van Marten Zwart, koopman te Gorredijk voor een bedrag van fl. 7000,-. In de koop zijn mede begrepen: de Tanges Petroleummotor, met twee waterreservoirs en bijbehorende losse gereedschappen, onderdelen en drijfriemen, benevens de in de korenmolen aangesloten maalstoel en koppel stenen, met wat daartoe behoort en tevens koekbreker, stopmachine, zakken(tafel), takel met blokken en bilhamers.

1923
Op 27 juli 1923 wordt de molen weer verkocht. Notaris was, zoals de akte vermeldt: Meester Pier Daniël Poelstra, te Leeuwarden.
De nieuwe eigenaar wordt Anne van der Wal, koopman te Birdaard. De dubbele woning met hok, schuur en erf, benevens de molen en het machinegebouw met de petroleummotor gaan in andere handen over voor fl. 8000,-. Te betalen uiterlijk 1 september. Bij latere betaling moet 6% rente worden betaald.

1947
Anne van der Wal heeft de molen lang in zijn bezit gehad en heeft daar ongetwijfeld ook mee gemalen. Waarschijnlijk tot 1947 en is daarmee vrijwel zeker de laatste beroepsmolenaar geweest, die de molen als maalwerktuig heeft gebruikt.

foto de hoop in 1949



Deze foto zou zijn genomen op 14 augustus 1949.

Duidelijk is te zien, dat de molen toen op één van de roeden (op de foto de verticaal staande) was voorzien van jalouzieën voor zelfzwichting. Aan de achterzijde is ook de bezaan voor de bediening van deze zelfzwichting zichtbaar.

1955
De zevende mei stuurt Dorpsbelangen van Suameer een brief naar Burgemeester en Wethouders met het verzoek iets aan of met de molen te doen. De molen verkeert in een desolate toestand en de eigenaar A.v.d.Wal zou de molen willen verkopen.
Naar aanleiding hiervan schrijft gemeentewerken aan B. en W. dat de molen in slechte conditie is. Het rietdek is slecht, de wieken zijn slecht en de stelling moet worden vernieuwd. Ruw geschat zal reparatie zo’n 60 à 70.000 gulden gaan kosten, maar omdat de molen in particuliere handen is, is het moeilijk om er iets aan te doen.

1956
Op 14 maart 1956 verschijnt Anne van der Wal met de toekomstige nieuwe eigenaar Jan Postmus, fouragehandelaar te Drogeham bij notaris Harmsma. Er wordt verkocht:
Een buiten bedrijf zijnde windmolen met erf en grond.
Een dubbel huis met schuur, erf en tuin.
De goodwill, zijnde de relaties en beklanting van het door van der Wal uitgeoefende fouragebedrijf.

De onroerende goederen werden verkocht voor fl. 9000,- en de goodwill voor fl. 4000,-
Aan de akte is te zien, dat we in de moderne tijd zijn aangeland.
Voor het eerst in de lange geschiedenis van de molen wordt de koopakte getypt. Alle voorgaande aktes waren met de hand geschreven.

Jan Postmus is de laatste particuliere eigenaar van de molen geweest. In 1964 werd de molen door de gemeente overgenomen. Voor het zover was, was er echter wel het een en ander gebeurd.

8 juni 1956 verschijnt er een artikel in de krant, waarin wordt vermeld, dat de molen 3 jaar tevoren buiten bedrijf is gesteld. De molen zou ongeveer 100 jaar oud zijn en in 1867 door brand verwoest. Voor de herbouw werden, volgens hetzelfde artikel, onderdelen van een molen uit Kootstertille gebruikt.

1958
Een rapport over de molen - gedateerd 26 september - vermeldt, dat er onder de stelling een gemetseld gebouwtje is, waarin vroeger een machine heeft gestaan, die als mechanische hulpkracht werd gebruikt.
Volgens ditzelfde rapport is het achtkant van prima grenen. De voeghouten zijn matig en de windpeluw moet worden vervangen. De (Pot)roeden lijken nog goed. Binnenroede heeft zelfzwichting met jalouzieën. De stelling is zeer slecht en het verf- en teerwerk is verwaarloosd.

Inmiddels komen er activiteiten van "de Hollandsche Molen". Deze vereniging tot behoud van molens in Nederland maakt zich ongerust en schrijft op 14 oktober aan de gemeente, dat Postmus in mei van dat jaar een sloopvergunning voor de molen zou hebben gevraagd.
De restauratie van de molen zou fl. 18.500,- moeten kosten. Postmus wil de molen wel overdragen aan de gemeente, mits hij als compensatie hiervoor een nieuw bedrijfsgebouw mag stichten.

Op 6 november gaat er een brief van de gemeente naar de Friese molencommissie in Leeuwarden. De gemeente vraagt aan de commissie om advies, wat te doen met de molen.

1959
De Friese molencommissie is niet zo erg actief, want de gemeente stuurt 27 juli 1959 (dus zo’n 8 maanden na de eerste brief!) nog eens een brief aan de Friese molencommissie, waarin B. en W. de molencommissie vragen wat spoed achter een antwoord te zetten.
De molencommissie heeft dan nog twee maanden(!) nodig om tot een antwoord te komen. Op 23 september 1959 schrijft de Molencommissie:
"In antwoord op Uw schrijven van 6 november 1958...." Dat antwoord heeft dus 10 maanden op zich laten wachten.
Het advies van de molencommissie aan de gemeente luidt, dat de gemeente de molen zou moeten overnemen en zou moeten proberen anderen voor de molen te interesseren, waarbij met name de N.T.F. wordt genoemd.

Op 23 september verschijnt er een foto van "de Hoop" in de krant, met het volgende onderschrift:
Nog steeds staat de molen van Suameer overeind, letterlijk gekortwiekt, krakend en schommelend in de wind, maar nog steeds de moeite van het restaureren ten volle waard. Maar ’t moet nu niet al te lang meer duren.

Gedeputeerde Staten vragen in een brief van 7 december aan de gemeente, wat de overname door de gemeente zou gaan kosten. Voorts schrijven G.S., dat de N.T.F. bereid zou zijn mee te werken aan het behoud van de molen. G.S. vragen zich af, wat de houding van bv. de scheepswerf en machinefabriek zou zijn.

1962
In de Bergumer Courant van vrijdag 2 maart 1962 staat het raadsverslag van de vergadering van de gemeenteraad van maandag 26 februari:
Bij punt 5 van het verslag wordt gesproken over het verlenen van een bijdrage in de herstelkosten van de molen te Wijns.
Naar aanleiding van het discussie punt vreest dhr. van der Heide (pvda) het ergste bij een storm voor de molen van Suameer. Hij vraagt waarom er niets gebeurt, voor het te laat is.
Voor de toeschouwer gebeurt er niets, zegt de voorzitter, maar dat ligt wel wat anders. Ook dhr. Douma (ar) vindt, dat er nodig wat gedaan moet worden aan de molen in Suameer. De voorzitter deelt mee, dat men t.z.t. met een voorstel tot restauratie zal komen.

Diezelfde dag - 2 maart 1962 - gaat er een brief van B.en W. naar de vereniging de Hollandsche Molen, met de vraag of de kosten voor een restauratie moeten worden herzien. Zo?n drie weken later (op 27 maart) is er antwoord.
De vereniging de Hollandsche Molen zal een technisch adviseur sturen, die op 10 april zal komen. B. en W. antwoorden onmiddellijk: op 30 maart gaat er een brief naar de Hollandsche Molen, dat men de technisch adviseur zal ontvangen.
Intussen is er op 16 maart een ambtelijk advies naar B. en W. gegaan, om de molen van Postmus over te nemen voor fl. 1,-, tijdelijk voor hem (Postmus) een nissenhut op te richten en na de restauratie door de gemeente, de molen aan Postmus te verhuren voor fl. 750,- per jaar. Twee weken na het bezoek van de technisch adviseur, op 24 april gaat er een onderzoeksrapport van de Hollandsche Molen naar B. en W.

Uit het rapport blijkt, dat sinds het vorige bezoek de situatie drastisch verslechterd is. Zo moeten beide voeghouten van laseinden worden voorzien. Riet en rietlatten zijn versleten. De halssteen moet worden vernieuwd. De roeden moeten hier en daar worden hersteld en het hekwerk zal moeten worden vernieuwd. Ook de stelling zal moeten worden vernieuwd. De penbalk is slecht en de vangstok is gebroken. De vloeren en trappen zijn slecht en verder zijn er nog wat kleinere werkzaamheden, die moeten worden verricht. De totale kosten worden geraamd op een bedrag van fl. 35.429,90. In de Bergumer Courant van 20 april 1962 treffen we een foto van de molen aan, met het onderschrift, dat er dringend behoefte is aan een restauratiebeurt. Uit de foto blijkt, dat, behalve op de binnenroe van de zelfzwichting een aantal kleppen ontbreken, ook de stelling in zeer slechte staat is.

Er worden contacten opgenomen met de eigenaar Postmus.
Op 22 juni doen B. en W. aan Postmus het voorstel, om de molen over te nemen voor fl. 1,-. Daarna zal de molen gerestaureerd worden en na de restauratie kan Postmus de molen huren voor fl. 750,- per jaar. Tijdens de restauratie zal de gemeente voor een nissenhut zorgen, ter compensatie voor Postmus.

Postmus wordt verzocht om voor 10 juli te antwoorden. Op 6 juli antwoordt Postmus, dat hij niet accoord gaat met het voorstel. De zaak gaat voorlopig een poosje in de doofpot.

1963
Een jaar na de weigering van Postmus, op het voorstel van B. en W. in te gaan, schrijft Postmus aan de gemeente, dat het hoog tijd wordt, dat er iets gebeurt. De toestand van de molen is zo slecht, dat het gevaar oplevert.

Alle voorgaande activiteiten van het gemeentebestuur zijn kennelijk niet of onvoldoende in de openbaarheid gekomen. Op 11 oktober 1963 verschijnt er namelijk de volgende noodkreet in de Bergumer Courant :

"OP STERVEN NA DOOD"

Dat waren mijn eerste gedachten, toen ik onlangs op het feestterrein in Suameer moest zijn, waar het één en al vreugde en blijdschap was in een, zo te zien, welvarend dorp, terwijl daarnaast een patiënt (de molen) op sterven na dood was. Een groot kontrast, dat de inwoners, naar ik meen, zo niet zien of niet willen zien; of vergis ik mij?
De volgende vragen kwamen op dat ogenblik bij mij op: "Is hier álles geprobeerd om deze patiënt (die een monument zou kunnen zijn) te redden, en is de hoogste instantie geraadpleegd om de ondergang te voorkomen?"
Er van uitgaande, dat de kosten van herstel de draagkracht van de eigenaar ver te boven gaan en trouwens uit bedrijfsoogpunt onrendabel zou zijn, vroeg ik mij af of de de vereniging "De Hollandsche Molen" bekend is met deze zorgelijke situatie en zo ja, of zij dit lijdelijk aanzag. Was hier geen kruid voor gewassen of zò duur, dat ze niet was te betalen?
Ik heb nadien kennis kunnen nemen van officiële stukken die op deze affaire betrekking hebben. Daarbij is mij gebleken, dat het Gemeentebestuur zich al heel wat moeite heeft getroost om de restauratie van de molen "rond" te krijgen. Tot nu toe helaas zonder succes: het is niet gelukt tot een overeenkomst met de eigenaar te komen.

Jammer genoeg, zijn de kosten van restauratie inmiddels gestegen van ruim fl. 18.000 in 1955 tot plm. fl. 40.000 in 1962. Verder bleek mij, dat alle instanties, zoals Ged.Staten van Friesland, de vereniging "de Hollandsche Molen" en de "Friesche Molencommissie" met de situatie op de hoogte zijn en meerdere malen adviezen hebben uitgebracht.
Een laatste voorstel d.d. 22 juni 1962 van B. en W. aan de eigenaar, dat mij als buitenstaander zeer akseptabel voorkwam, zou evenwel door de eigenaar niet worden aanvaard.
Zo zijn we dan nu even ver als bij het begin in 1955 met dit verschil, dat wat een monument had kunnen worden, nu een bouwval is, tot grote ergernis van velen.
In verband met dit laatste breng ik nog in herinnering het vrij recente ongeluk te Maassluis, waar met enorm geweld, doch gelukkig zonder ongelukken te veroorzaken, de beide wieken van een oude molen naar beneden kwamen op de plaats, waar even te voren een klasje schoolkinderen was gepasseerd.
Dat zo iets ook hier zou kunnen gebeuren en zeker niet denkbeeldig is, kan men vaststellen uit de desolate toestand waarin de molen te Suameer thans verkeert.

Nu er echter helaas geen oplossing werd gevonden, meen ik, dat het de taak van de gemeenschap is hier handelend op te treden en dit alles niet op zijn beloop te laten.
De inwoners, en niet alleen die van Suameer, maar van geheel Tietjerksteradeel, moeten dan de handen ineen slaan, om deze ondergang te voorkomen.
Ik ben er van overtuigd dat, wanneer de patiënt eenmaal zou zijn heengegaan er dan velen zijn die dit ernstig zouden betreuren en daarom wil ik de inwoners van Suameer adviseren de hoofden bij elkaar te steken en voor de laatste maal te overleggen, wat er te redden valt voor het te laat is.
Op meerdere plaatsen in Friesland heeft men dorpsmolens kunnen behouden en gered; zouden wij dat hier dan niet kunnen?
Ik geloof, dat er een kans van slagen is, maar dan moet dit samengaan onmiddellijk gebeuren, want langer wachten zou de dood betekenen. De oude Romeinse schrijver Ovidius schijnt eens te hebben gezegd: "Vaak heeft een zwijgend gelaat stem en woorden". Laten we bedenken dat de zwijgende molen te Suameer aldus ook schreeuwt om hulp.
Wie neemt hier het initiatief? Het is kort dag.
Een inwoner van Tietjerksteradeel

Tien dagen later schrijft gemeentewerken aan B. en W., dat de toestand van de molen zeer slecht is. De kans op dompen van het gevlucht (dat de wieken naar beneden komen) is niet uitgesloten. In dat geval zou er dan zo?n 1000 kg hout en ijzer naar beneden vallen! Er moet een hek om de molen komen en een bord "verboden toegang".

Op 26 november 1963 wordt er een brief van B. en W. aan Postmus overhandigd, waarin B. en W. de eigenaar gelasten om maatregelen te treffen, t.w. het plaatsen van een hek om de molen en een bord "verboden toegang". Dezelfde dag nog wordt het Mounepaed afgesloten i.v.m. de gevaarlijke situatie.

10 december krijgt Postmus van B. en W. de opdracht om de wieken te demonteren, het kruiwerk te verwijderen en de kap vast te zetten. Het materiaal moet in overleg met gemeentewerken worden opgeslagen.

Drie dagen later - op 13 december - vindt er een bespreking plaats in het Provinciehuis tussen G.S., B.en W., de vereniging de Hollandsche Molen, Provinciale Waterstaat en de eigenaar van de molen, Postmus. Het resultaat van de bespreking is, dat Postmus de molen wel aan de gemeente wil verkopen voor fl. 2000,-
De gemeente laat er geen gras over groeien! Uit het archief op het gemeentehuis blijkt, dat in de raadsvergadering van 18 december (dus maar vijf dagen later!) bij punt 30 van de agenda de molen met ongeveer 1000 m2 voor      fl. 2000,- kan worden gekocht van J.G.Postmus, zonder dat er discussie over plaatsvindt.
Wel zal zo snel mogelijk worden overgegaan tot demontage van die onderdelen, die gevaar voor de openbare veiligheid opleveren. De molen moet dus wel in een erg slechte conditie zijn geweest. Op de bijgevoegde tekening staat aan de oostzijde nog de "uitbouw" aangegeven, waarin indertijd de motor heeft gestaan.

In de Bergumer Courant van 17 december 1963 kunnen we het volgende bericht lezen:

SUAMEER.De molen alhier, is vrijdag j.l. door de gemeente ter restauratie aangekocht.
Verheugend nieuws dus!
De eigenaar, dhr.J.G.Postmus, verkocht omliggend land plus het bouwval van de molen voor totaal fl. 2000,- aan de gemeente Tietjerksteradeel. De restauratie zal worden bekostigd door provincie, rijk, gemeente en monumentenzorg. Als de nood het hoogst is.....

DE MOLEN IN SUAMEER(SUMAR) NA 1963

Op 17 maart 1964 gaat de molen over in handen van de gemeente Tietjerksteradeel. Er wordt in de akte niet gesproken over de woning, e.d., maar het object wordt beschreven als :".... Een molen met erf en grond, staande en gelegen ten noorden van de Knilles Wytseswei te Suameer, uitmakende een op het terrein afgebakend noordelijk gedeelte, ter grootte van ongeveer tien are, van het perceel kadastraal bekend Gemeente Oostermeer, sectie I, nommer 99....".De koopsom bedraagt fl. 2000,-.

Acht dagen later (25 maart) schrijft de vereniging de Hollandsche Molen, dat aan de firma Medendorp een begroting is gevraagd voor de kosten van restauratie.
Weer drie maanden later (22 juni) deelt de Hollandsche Molen mee aan B. en W., dat restauratie ongeveer            fl. 50.000,- zal gaan kosten. Hierin is o.a.een bedrag van fl. 6000,- opgenomen voor nieuw riet. In de periode die volgt, wordt een uitgebreide correspondentie gevoerd, om subsidie te verkrijgen voor de restauratie.

1965
Op 21 maart vragen B. en W. aan de gemeenteraad om de nodige credieten voor de restauratie beschikbaar te stellen.



1966
Vrijdag 25 maart 1966 een foto in de Bergumer Courant waarop te zien is, dat de molenmaker (Middendorp uit Zuidlaren) de gerestaureerde kap op het achtkant plaatst.

Vrijdag 10 juni - ook in de Bergumer Courant - een foto nadat het nieuwe rietdek is aangebracht.

Dinsdag 27 september een foto van de geheel gerestaureerde molen met de mededeling, dat het interieur nog moet worden ingericht als ruimte voor cursussen, vergaderingen, exposities, e.d. De molen zou worden ingericht als een soort dorpshuis. Ook bij de restauratie was men er niet van uit gegaan, dat de molen weer zou worden gebruikt als maalwerktuig.

14 oktober staat er in de Drachtster Courant een foto van de gerestaureerde molen.

Vrijdag 30 december meldt de Bergumer Courant, dat op woensdag 28 december brand was uitgebroken in de molen, doordat Marten, het 6-jarig zoontje van de vroegere eigenaar in de molen was geslopen en daar "oefende" met een carbidbus. De brand kon gelukkig worden beperkt en de verzekering dekte de schade van fl. 1890,-. De onderste twee zolders moesten worden vervangen.

1969
14 augustus schrijft gemeentewerken aan B. en W., dat het nodig is, dat de molen regelmatig draait.
B. en W. delen de mening van gemeentewerken en vinden een oplossing. De gemeente sluit een "contract" met dhr.W.Sierksma, te Suameer, die ervoor zal zorgen, dat de molen 4x per jaar zal draaien. Men rekent op zo’n 8 werkuren per jaar en dhr.Sierksma zal daarvoor jaarlijks fl. 50.- ontvangen.

1974
Op 15 februari 1974 staat er in de Bergumer Courant een foto van de molen in al zijn glorie, waarbij wordt vermeld, dat de molen tot 1947 zou hebben gefunctioneerd. Deze foto van na de voorlaatste restauratie toont duidelijk, dat de molen op alle wieken is uitgerust met oudhollandse ophekking, dus met vier zeilen. Foto’s van voor deze restauratie laten zien, dat de molen op de binnenroede was voorzien van een systeem van zelfzwichting met jalouzieën en de buitenroede oudhollands was opgehekt.

1977
De molen draait weer! Op 22 april 1977 staat er in de Leeuwarder Courant een foto van de molen met Wiebe Sierksma op de stelling. Sierksma is oud-molenaar en blij, dat er weer wat activiteit op en rond de molen is. Hij leidt een vrijwillige molenaarse(!) en een aantal vrijwillige molenaars op in de geheimen van het vak.
November 1977 overlijdt Sierksma. De molen wordt in de rouw gezet en nagekruid in de richting van Damwoude, waar Sierksma werd begraven.



1979
In mei - op nationale molendag - draait de molen weer, met o.m. één van de twee vrouwelijke vrijwillige molenaaressen in Friesland.
Half december verschijnt er een "Hoopvol Bericht". Men kon meel kopen en brood bestellen, dat van molenmeel werd gebakken door Bakker Beetstra in Hardegarijp en bakker v.d. Berg in Bergum. De molen wordt nu in bedrijf gehouden door vrijwilligers.

1980
Op 9 mei wordt het Fries Molenboek officieel overhandigd aan de toenmalige Commissaris van de Koningin. De plechtigheid vond plaats op de molen in Suameer. In september van dit jaar wordt het steenkoppel van Duitse blauwe 17-der stenen gebild (gescherpt).

1981
Ook nu op de nationale molendag van 9 mei draait de molen.

1982
De 10e december gaat een wens van de vrijwillige molenaars in vervulling. Er wordt een tweede koppel stenen geplaatst. Ook dit koppel is een zgn. 17-der Duitse blauwe.

1983
Op 7 mei 1983 heeft "de Hoop" gedraaid op nationale molendag.

1984
Op nationale molendag - 12 mei- heeft de molen ook weer gedraaid. Van december 1984 tot mei 1987 heeft de molen ook dienst gedaan als lesmolen

1989
Omstreeks december 1989 is de molen stilgezet. In datzelfde jaar is de onderbouw van de molen opnieuw gevoegd.
De molen kruide heel zwaar en het bleek bij het kruien, dat er beweging zat in de verbinding tussen lange schoor en lange spruit. De verbinding tussen deze beide balken was volkomen verrot.
Kruien was niet langer verantwoord en dus zat er niets anders op, dan de wieken vast te zetten. Er kon niet meer worden gedraaid. In deze situatie kwam jaren lang geen verandering. Er zou een grondige onderhoudsbeurt nodig zijn. Later zou blijken, dat de onderhoudsbeurt zou uitlopen op een volledige restauratie.



1992
Op woensdag 1 juli 1992 ontving de molen een bedrag van fl. 5000,- van het bedrijf Mölnlycke ter gelegenheid van de opening van een nieuw bedrijfsgedeelte.
Ook was er andere belangstelling. Eind oktober kreeg de molen bezoek van een groep van de basisschool de Homeije.


Het waren de laatste bezoekers voor de grote restauratie zou beginnen. Er is afgesproken, dat ze een jaar later terug zouden komen om de molen in bedrijf te zien.

DE RESTAURATIE VAN 1992/1993 (VOORBEREIDING)

1990
In de archieven van de gemeente ligt een offerte met het opschrift "spoed" van de fa.Tacoma-Kolthof voor een eventuele restauratie van de molen en een aparte offerte voor de houtwormbestrijding. Het werk is opgenomen op 4 oktober 1990, o.m. door dhr. J.A.Heidra, die toen nog ambtenaar van Monumentenzorg was bij de provincie.  De totale kosten zouden zo?n fl. 165.000,- bedragen.

1991
Op 27 november gaat er een brief naar de commissie G.O.W., waarin wordt meegedeeld, dat de molen al meer dan een jaar niet heeft gedraaid en dat er haast moet worden gemaakt met restauratie. Naast de tand des tijds plegen ook houtworm en bonte knaagkever een aanslag op de molen. Er wordt afgeraden om met de restauratie te wachten tot de dorpsvernieuwing van Sumar.
Niet alleen het gemeentebestuur was van mening, dat er (weer) wat moest gebeuren. Ook de bewoners van Sumar waren kennelijk die mening toegedaan.
Zo werd er door een dorpsbewoner(?) een bordje op het hek van "de Hoop" gespijkerd, met het opschrift:"Is er nog hoop voor de Hoop?"

Op 3 december wordt er een advies gevraagd over een eventuele restauratie, o.m. met de vraag of de offerte voor de restauratie nog correct was, want die dateerde van een jaar tevoren. Er wordt een crediet van fl. 167.000,- beschikbaar gesteld, t.l.v. het fonds dorpsvernieuwing.

Naar aanleiding van een vraag van Dorpsbelangen gaat er op 19 december een bericht van de gemeente uit met de volgende medede- lingen:

  1. De restauratie moet fl. 172.000,- kosten (gebaseerd op fl. 167.000,- + 3% verhoging) en dat geld is er niet.
  2. Bij de vorige restauratie in de jaren ?60 is er niet gerekend op het werkelijk in gebruik stellen van de molen.
  3. Men wil de restauratie uitstellen tot de totale aanpak van Sumar.
  4. Er wordt erkend, dat de situatie ernstig is voor het voortbestaan van de molen.

1992
In de eerste maanden van 1992 werd een crediet beschikbaar gesteld van fl. 167.000,- voor een grondige onderhoudsbeurt. De molen had geruime tijd stil gestaan, niet in de laatste plaats, omdat draaien met de molen niet langer verantwoord was.



Zoals reeds gemeld was de verbinding tussen lange spruit en één van de lange schoren dermate verrot, dat het niet uitgesloten zou zijn, dat de betreffende schoor, met een deel van de lange spruit naar beneden zou storten.
Bovendien kruide de molen erg zwaar, waardoor het risico van neerstorten van de schoor, of misschien zelfs beide, alleen nog maar groter zou worden.
De gemeente heeft - samen met de molenmaker en met een deskundige van de provincie - een lijst opgemaakt van hetgeen er in ieder geval zou moeten gebeuren.

Naast wat kleinere werkzaamheden, moest in ieder geval het volgende worden gedaan: windpeluw vernieuwen, schegstuk in linker voeghout maken, nieuwe lange spruit maken, stuk in de staart inzetten, één korte schoor vervangen, compleet nieuw gevlucht leveren, ondertafelement vernieuwen, enige ingrepen aan de stelling verrichten.

Het was de bedoeling, dat de molenmaker (de Fa.Tacoma/Kolthof) nog voor de bouwvakvakantie zou beginnen met de reparatie. Echter in de nieuwjaarsnacht kwam er een vuurpijl op het rietdek van de molen in Stiens, die daardoor volledig afbrandde.
In Stiens werd direct besloten tot herbouw en de Fa.Tacoma moest eerst die klus voor het grootste deel klaren, voor er in Sumar kon worden begonnen. Het zou tot half oktober duren, voor er wat in Sumar gebeurde.

Begin november werd de kap naast de molen gehesen en kon e.e.a. wat nauwkeuriger worden geinspecteerd.



Bij deze inspectie bleek dat er niet volstaan kon worden met de voorgenomen grondige onderhoudsbeurt. Een bijna volledige restauratie was noodzakelijk.

Zo was niet alleen het ondertafelement vergaan, ook het boventafelement moest worden aangepakt. Er kwam er aan het licht, dat de boveneinden van een paar achtkantstijlen (het eigenlijke geraamte van de molen) waren ingerot.
Er werd eerst besloten, dat de achtkantstijlen iets zouden worden ingekort. De molen werd dan iets lager. Op zichzelf was dat geen probleem, maar door een lagere molen, zouden de roeden tegen de stelling gaan lopen.
Het gevolg van het verlagen van het achtkant zou zijn, dat de stelling wat lager zou moeten worden en gezien de slechte kwaliteit van de stelling zou deze in zijn geheel moeten worden vernieuwd.
De verlaging zou niet alleen van invloed zijn op de stelling, maar ook de kruivloer, de kuip en de kap zouden moeten worden aangepast aan de nieuwe afmetingen.

Kortom, de gevolgen van het verlagen van de molen zouden zeer ingrijpend worden. Men wilde proberen, de slechte stukken weg te halen en vervolgens op te lassen.

Ook in de kap, kwamen er vervelende verrassingen te voorschijn. Zo bleek, dat de voeghouten los op de overring lagen en vermoedelijk ook nog 180 graden gedraaid. Waar oorspronkelijk alleen de lange spruit en de windpeluw zouden worden vervangen, moesten nu ook, de penbalk, de beide wethouders en de korte spruit worden vernieuwd.
Maar ook de staart was veel slechter, dan eerst verondersteld. Was in de eerste opzet het de bedoeling, dat er in de staart een stuk zou worden ingezet, bij nadere beschouwing bleek het noodzakelijk, de hele staart te vernieuwen.

Door deze strop werd het noodzakelijk om extra crediet aan te vragen om deze restauratie te bekostigen. Het zou tot februari 1993 duren, voor het benodigde geld kon worden gevonden.

DE RESTAURATIE VAN 1992/1993 (VERLOOP)

Eind oktober 1992 werd met de restauratie van de molen begonnen. Er werden er met de vrijwillige molenaars afspraken gemaakt om tijdens en na de restauratie wat mee te helpen om daarmee de kosten te drukken.En er vond zeer vaak uiterst plezierig overleg plaats tussen dhr.Tolsma, die namens de gemeente de restauratie begeleidde en de vrijwillige molenaars.
Ook werd door de vrijwillige molenaars een afspraak gemaakt met Actief, dat er wekelijks een klein artikeltje zou verschijnen, met berichtgeving over de restauratie en andere molenwetenswaardigheden.

Het eerste verscheen 21 oktober onder de titel Hoopvol Bericht. Veertien dagen later kon er worden gemeld, dat de staart was verwijderd en de roeden kaal gemaakt.
Op 4 november was het een grote dag: ’s morgens werd een grote kraan van de firma Kielstra opgesteld en werden eerst de kale roeden uit de askop gehesen. Eenmaal op de grond werd heel goed duidelijk, dat de roeden op diverse plaatsen volledig waren doorgeroest.
Tegen de middag lag ook de kap op de grond naast de molen. Tijdens het takelwerk bleek, dat er aan de kap nog heel wat gesleuteld zou moeten worden.
Zo kwam er aan het licht, dat de overring geheel los zat en eerst moest worden vastgebonden, voor de kap kon worden opgetild. Bovendien kraakte de windpeluw hevig tijdens het hijsen en de geplande vervanging was dan ook beslist noodzakelijk.

Gedurende de hele "operatie" waren er heel wat mensen op de been, om alles goed te kunnen bekijken en zijn er vele foto’s gemaakt!

In de laatste week van oktober werd het ondertafelement vervangen. Hiertoe werd de gehele molen een beetje gekanteld en de helft van het tafelement vervangen. Vervolgens werd de molen naar de andere zijde gekanteld en de andere helft van het tafelement vervangen.

Inmiddels waren de nieuwe roeden afgeleverd door de firma Buurma uit Oudeschans (roednummers 270 en 271).
Begin december werd dan ook begonnen met het ophekken van de roeden en voor oudjaar was ook die klus geklaard. Inmiddels was binnen op de begane grond ook gewerkt aan de nieuwe windpeluw, met de keer en weerstijlen. Alle keerklossen en wiggen voor de roeden zijn klaargemaakt en zo ging men het nieuwe jaar in.

De molenmakers verdwenen en het duurde tot begin februari voor er weer wat positiefs was te melden. Toen de kap van de molen was gehaald bleek er veel meer aan de hand te zijn, dan waar men op had gerekend. Kortom het geld was op en het werk stond stil.
Begin februari was er weer geld beschikbaar, maar het duurde tot begin maart eer de molenmakers weer terugkeerden naar de klus in Sumar.